Sector
  • Havo bovenbouw
Vakgebied
  • Wiskunde A
Leerplankundig thema
  • Schoolexamen
  • Handreiking

De kwaliteit van een PTA-toets

26-5-2015

Docenten gebruiken veel bronnen voor het maken van toetsen. Vaak worden toetsen samengesteld uit meerdere bronnen. De meest gebruikte bronnen zijn (in willekeurige volgorde):

  • methode;
  • oude toetsen, eerder gegeven toetsen;
  • examenopgaven of delen daaruit;
  • zelf gemaakte toetsvragen;
  • toetsen of opgaven afkomstig van het web of van vaksites.

Het is een hele klus om een goede toets te maken, zeker omdat er bij wiskunde A sprake is van het aanbieden en toetsen van wiskunde binnen contexten. In het nieuwe wiskundeprogramma komt daar de aandacht voor wiskundige denkactiviteiten bij.
In het hoofdstuk Het examenprogramma van wiskunde A havo van deze handreiking vindt u meer informatie, kijk daar bij Specifieke aandachtspunten.

Een schoolexamentoets moet voldoen aan een aantal criteria met betrekking tot

  1. de vorm;
  2. de opbouw;
  3. het niveau;
  4. de inhoud;
  5. de beoordeling.

1. De vorm

  • Gebruik een herkenbare lay-out voor de toets. Een optie is om de lay-out vorm te geven naar het voorbeeld van het centraal examen. Denk daarbij aan nummering, witregels, titels en dergelijke.
  • Gebruik een duidelijk leesbaar lettertype, dat ook goed te lezen is voor leerlingen die moeite hebben met lezen. Veelal wordt Arial 12 gebruikt, met regelafstand 14 (instellen via opmaak-alinea). Een vergrote versie voor dyslectici is dan niet meer nodig (en wordt bij het CE niet meer toegestaan). Zie ook bij Wijziging hulpmiddelen voor dyslectische kandidaten vanaf CE 2013.
  • Vermeld alle informatie die leerlingen nodig hebben: tijdsduur van de toets, gebruik van (extra) hulpmiddelen, aantal vragen, de eventuele aanwezigheid van een of meerdere bijlage(n), het aantal punten dat per onderdeel te behalen is, een beschrijving van wat na afloop ingeleverd moet worden.

2. De opbouw

  • Neem alleen tekst op die daadwerkelijk nodig is om de opgaven op te lossen.
  • Haal informatie en vraagstelling uit elkaar. Geef eerst de informatie. Gebruik bij het formuleren van de vraagstelling examenwerkwoorden zoals die in de syllabus staan (toon aan, bereken, bepaal, beredeneer, enzovoort).
  • Gebruik meerdere bronnen. Haal de opgaven niet uit één (les)boek, maar varieer met examenopgaven, methodevragen, zelfgemaakte vragen, vragen uit andere bronnen. Die verschillende opgaven en vragen hebben vaak hun eigen stijl. Leerlingen moeten daaraan wennen.
  • Zorg voor een aantal vragen passend bij de beschikbare tijd. Denk ook aan extra leestijd als er veel vragen zijn.

3. Het niveau

  • Stel van tevoren vast wat de bedoeling van een vraag is. Is het een reproductievraag of moet de leerling méér doen, méér stappen nemen om tot een oplossing te komen? Het aantal stappen is vaak een maat voor de moeilijkheidsgraad van een vraag.
  • Zorg voor een opbouw binnen de hele toets van 'makkelijk' naar 'moeilijk'.
  • Zorg voor een vergelijkbare opbouw van vragen die uit meerdere onderdelen bestaan: gemakkelijke onderdelen in het begin van een vraag, moeilijke onderdelen aan het eind van een vraag. Leerlingen krijgen op deze manier de tijd om zich in te lezen en in te werken in een opgave.

4. De inhoud

  • Ga na of de toets de af te vragen leerstof dekt.
  • Zorg voor een goede spreiding over de onderwerpen die getoetst moeten worden. Als verhouding tussen het aantal vragen per onderwerp kunt u bijvoorbeeld het aantal studielasturen dat aan een onderwerp besteed is, gebruiken.
  • Controleer of de vragen compleet zijn. Staan de figuren er (goed) bij, is er een werkblad toegevoegd?
  • Controleer of de vragen eenduidig te beantwoorden zijn. Dat kan door het maken van een beoordelingsmodel of door een collega de toets te laten maken.
  • Zorg voor een balans tussen reproductievragen en productievragen. De balans hierin is afhankelijk van het tijdstip (bijvoorbeeld: begin klas 4: 80-20, examenklas 60-40). Vaksecties moeten zelf beslissen welke weging ze willen toepassen. In het hoofdstuk Het toetsen van de vakinhoud van het schoolexamen van deze handreiking vindt u bij Voorbeelden en hulpmiddelen meer informatie.
  • Zorg voor variatie in vragen en voorkom overlap.
  • Zorg voor een spreiding in handelen (uiteraard afhankelijk van de vaardigheden en het inzicht die passen bij de te toetsen stof).
  • Vermijd stapelvragen. Dit zijn vragen waarbij het resultaat van een eerder op te lossen onderdeel nodig is om een volgend onderdeel te kunnen beantwoorden. 
  • Stem het taalgebruik af op het niveau van het leerjaar.

5. De beoordeling

  • Zet het aantal punten dat voor een vraag te behalen is vóór de vraag.
  • Zorg dat het aantal punten voor een vraag in overeenstemming is met de moeilijkheidsgraad van die vraag.
  • Zorg ervoor dat het aantal punten afgestemd is op het aantal handelingen dat een leerling moet verrichten bij het beantwoorden van de vraag.
  • Maak een antwoordmodel waarbij de antwoorden van de leerlingen duidelijk te scoren zijn, zodat de toets redelijk snel en eenduidig is na te kijken. Als uw collega een antwoord toch nog heel anders beoordeelt dan u (en meer of minder punten geeft), is de vraag wellicht niet handig gekozen of geformuleerd. Wij willen evenwel een lans breken voor de creativiteit van de leerling. Houdt u daar bij het stellen van de vraag en vooral bij het beoordelen van het antwoord rekening mee.

Om na te gaan of u aan al deze algemene criteria gedacht heeft bij het maken van uw toets, kunt u de checklist kwaliteit toets gebruiken.
Ook het document algemene criteria voor een toets.pfd is goed bruikbaar. Daarin wordt de toets gecheckt op een aantal algemene criteria betreffende vorm en inhoud.

Analyseren van een (eigen) schoolexamentoets

Om vragen gedetailleerd te onderzoeken is het vaak nodig om een schoolexamentoets dieper (en zeker ook inhoudelijk) te analyseren. Bij zo'n analyse gaat het om de hierboven genoemde criteria.
Om na te gaan of een toets leerstofdekkend is en of er genoeg spreiding is over de onderwerpen die getoetst moeten worden, kan het invullen van de scorelijst wiskundetoets nuttig zijn. Vul bij de onderwerpen de te toetsen zaken in. Geef dan, per onderdeel van de toets, aan hoeveel punten er maximaal per onderwerp gescoord kunnen worden. Onderaan is dan te zien hoeveel punten er in totaal behaald kunnen worden voor een bepaald onderwerp.
Ook kunt u gebruik maken van een toetsmatrijs. Daarin is aandacht voor een analyse van vaardigheden. Op de pagina Voorbeelden en hulpmiddelen van deze handreiking vindt u enkele voorbeelden van een toetsmatrijs die u naar eigen inzicht gemakkelijk kunt aanpassen.
Met ingang van het examenjaar 2014 zijn de syllabi voor wiskunde aangevuld met bijlage 2: Examen(werk)woorden. Daarin wordt de betekenis van een aantal werkwoorden omschreven. Ook staat aangegeven bij welke wiskundevakken deze werkwoorden voorkomen, waarbij die betekenis bekend verondersteld wordt. Ook op dit punt is een analyse mogelijk. De lijst met werkwoorden is niet uitputtend.